Een laag zelfbeeld en de profetische aanpak

Een laag zelfbeeld en de profetische aanpak

Inleiding
De waardigheid van de mens is een onderwerp van alle tijden. In de islamitische traditie komt dit thema daarom ook veelvuldig terug. Zelfbeeld, eigenwaarde en zelfvertrouwen zijn min of meer termen die aan hetzelfde raken: hoe beoordeelt een persoon zijn waardigheid?

Dit kan beïnvloed worden door de beeldvorming die andere mensen van hem hebben, maar ook door het beeld dat hij van zichzelf heeft. Tussen deze twee is er sprake van een wisselwerking. De benadering binnen de islamitische traditie verschilt van de ‘reguliere’ aanpak, waarbij de mens centraal wordt gesteld bij het behandelen van een laag zelfbeeld.

Allah zegt in de Qur’an: “Voorzeker, Wij hebben de kinderen van Adam (lees: de mens) geëerd.”[1] Al-Karamah, waardigheid, is een goddelijke gift aan de mens. De toekenning van de waardigheid aan de mens heeft Allah in dit vers toegeschreven aan Zichzelf. Niemand heeft namelijk zijn waardigheid verdiend op basis van zijn verdiensten, maar gekregen vanwege zijn bestaan als mens waar hij op geen enkele wijze invloed op heeft gehad. Elke mens ís waardig.

Daarmee is ieders waardigheid niet onderhevig aan de beoordeling van andere mensen. Waardigheid is onlosmakelijk verbonden aan onze menselijke aard. De bron van onze waardigheid ligt in die zin bij Allah de Schepper, de Schenker van onze waardigheid. Het is interessant om te onderzoeken hoe Profeet Muhammad dit punt aanpakte.

In dit artikel zullen we enkele profetische overleveringen bekijken over hoe de Profeet enerzijds omging met mensen die een laag zelfbeeld hadden en anderzijds ingreep als het zelfbeeld van iemand werd aangetast.

Factoren die van invloed zijn op het zelfbeeld
De manier waarop je naar jezelf kijkt, beïnvloedt de manier waarop je je gedraagt. Dit gedrag, dat verbaal dan wel non-verbaal kan zijn, geeft de boodschap af aan anderen hoe ze zich kunnen verhouden tot jou. Hoe je vervolgens behandeld wordt door anderen, bevestigt en versterkt het reeds bestaande zelfbeeld: “Mensen zien mij zo, dus dan moet ik zo wel zijn.”

Het beeld dat een persoon van zichzelf heeft, kan ook (los van de wisselwerking met andere mensen) zo gegroeid zijn. Mogelijk als gevolg van een fout in het verleden of te hoge verwachtingen. Dit zie je sterk terug op momenten waarop iemand faalt of een handeling begaat die verkeerd is: Handeling A is slecht. Ik heb handeling A verricht, dus ik ben slecht. 

Dit kan een enorme blokkade opwerpen in de persoonlijke ontwikkeling, waardoor een persoon jarenlang stagneert in zijn groei. Een “slechte” handeling wordt in zijn ogen kenmerkend voor wie hij ís.

Dit kan natuurlijk ook gebeuren door het interveniëren van anderen. Als een persoon bijvoorbeeld continu te horen krijgt hoe slecht hij is, zal deze opvatting wellicht op den duur een eigen leven gaan leiden.

Als we kijken naar het beeld dat andere mensen over een persoon hebben, dan hebben we het voornamelijk over vooroordelen. Denk hierbij aan fysieke kenmerken (“je bent dik”) of culturele achtergrond (“allochtonen zijn dom”). Er is in dit geval een duidelijk zichtbaar kenmerk waar in het algemeen een negatief waardeoordeel aan hangt. Gezien de persoon zich bewust is van zijn uiterlijke kenmerken waar anderen een oordeel over hebben, is er een grote kans dat dit het zelfbeeld van de persoon beïnvloedt.

Een laag zelfbeeld
Niemand denkt graag negatief over zichzelf. Toch zien we dat een negatief zelfbeeld in de praktijk veel voorkomt. Dit is vaak te verklaren aan de hand van bepaalde verwachtingen.

Zo kan een persoon zich heel lang slecht voelen over een fout die hij ooit in het verleden begaan heeft. Eén van de valkuilen waar we wel eens in trappen in het omgaan met een persoon die zich schuldig voelt over een fout, is het relativeren van de fout uit goede intentie. “Zo erg is het toch niet, want…” Hiermee proberen we de persoon te troosten.

Men gaat met een dergelijke reactie echter voorbij aan het gevoel dat de persoon ervaart. Hij kan een opmerking als deze ervaren als: “Stel je niet zo aan.” Degene die ermee zit (wat jaren kan duren) worstelt diep van binnen met de gedachte: Ik had de fout nooit moeten begaan. Het is de verwachting die hij voor zichzelf schept die de kern vormt van zijn negatieve zelfbeeld. De oplossing hiervoor is niet het relativeren van de fout, maar het bijstellen van deze verwachting. Dit is precies hoe de islam te werk gaat.

Wat van de mens verwacht wordt, weten we als moslims middels de Openbaring. Het vloeit met andere woorden voort uit de Wil van Allah. Wat wij denken te weten over de Wil van Allah, vormt ons godsbeeld. Dit heeft invloed op hoe wij onze verwachtingen inkleuren, ons doen en laten invullen en naar onszelf kijken (mensbeeld).

Een vertekend godsbeeld (“Allah straft direct”) leidt daarmee tot een vertekend mensbeeld (“Ik moet perfect zijn”). De Islam corrigeert dit en stelt een heel praktisch en realistisch kader voor hoe wij als mensen (mogen) zijn. Profeet Muhammad zegt: “Elk mens maakt voortdurend fouten en de beste onder degenen die voortdurend fouten maken, zijn zij die telkens berouwvol terugkeren.”[2]

In deze overlevering stelt de Profeet allereerst onze verwachtingen bij. Hij zegt in feite dat het maken van fouten je niet slecht, maar menselijk maakt. Je bent een mens, dus is het menselijk om continu fouten te maken. De verwachting dat fouten (in welke aard dan ook) nooit ofte nimmer moeten plaatsvinden, is een illusie.

Het is een onmogelijkheid en het streven naar onmogelijkheden leidt onvermijdelijk tot teleurstelling. Teleurstelling leidt tot wanhoop, gezien deze verwachting een persoon buiten zijn menselijke capaciteiten plaatst. Na het bijstellen van de verwachting leert de Profeet ons om oplossingsgericht aan de slag te gaan. Maak je een fout toon dan berouw, oftewel keer je tot Allah.

Deze benadering leert ons om fouten of zonden in perspectief te plaatsen: Het is de Wil van Allah dat die fouten als fouten of als zonden worden aangemerkt, maar het is dezelfde Goddelijke Wil die jou zo geschapen heeft dat je continu fouten moet maken. De verwachting is daarom niet dat je perfect bent en nooit fouten maakt. De verwachting is dat zodra je de fout maakt, je berouw toont en terugkeert naar Allah.

Het cirkeltje wordt compleet door te beseffen dat Allah ons waardigheid schonk, ondanks het feit dat Hij ons zo geschapen heeft dat we fouten maken. Sterker nog, Profeet Muhammad zegt, terwijl hij zweert: “Bij Degene in Wiens Handen mijn ziel is, als jullie geen fouten begingen, had Allah jullie ongetwijfeld weggevaagd. Hij zou dan zeker een ander volk voortbrengen dat wel fouten begaat en vervolgens berouwvol terugkeert naar Allah, waarna Hij hen vergeeft.”[3]

We ontlenen – met andere woorden – blijkbaar ons bestaansrecht aan het feit dat we niet perfect zijn. Het zou daarom een contradictie zijn om te geloven dat fouten afdoen aan de menselijke waardigheid. Als een persoon (door een vertekend gods- en mensbeeld) waardigheid als een verdienste ziet van zijn foutloosheid, zal dit van negatieve invloed zijn op het zelfbeeld. Het is namelijk een onbereikbaar streven.

Het beeld dat anderen van ons hebben:
Het is menseigen om te (ver)oordelen. Wie dat incasseert, kan verregaande gevolgen ervaren in zijn zelfbeeld. Vooral indien deze persoon al negatief over zichzelf denkt, omdat hij bijvoorbeeld verslaafd is aan een bepaalde zonde. In dit geval krijg je het combi-effect: Ik blijf A doen, terwijl A slecht is, dus ik ben slecht. Bovendien zien de mensen mij ook als slecht, dus ik moet wel slecht zijn. Deze negatieve spiraal heeft Profeet Muhammad bij de wortel aangepakt.

1. Op basis van onze fouten of zonden
In de tijd van de Profeet was er een man, genaamd ‘Abdullah. Deze man was meermaals voor openbaar dronkenschap gestraft. Zo werd hij eens voor de zoveelste keer gestraft, waarna iemand tegen hem zei: “Moge Allah jou vernederen!” Volgens een andere versie van de overlevering zei een ander over hem: “Wat is er mis met hem? Moge Allah hem vernederen.” Een andere overlevering voegt eraan toe dat iemand hem verweet: “O Allah, vervloek hem. Hij is al zo vaak betrapt!”

De Profeet greep in met ondubbelzinnige, heldere woorden: “Zeg dat niet, help de duivel niet tegen jullie broeder.”[4] In een andere versie van die overlevering zei hij: “Wees geen helpers van de duivel tegen jullie broeder.”[5] Volgens een andere overlevering prees de Profeet hem zelfs: “Vervloek hem niet, want ik ken hem niet anders dan als iemand die van Allah en Zijn Boodschapper houdt.”[6]

De Profeet trad hier corrigerend op. Om te beginnen verbood hij ze om hem uit te schelden. Kwaad wordt niet verbeterd met kwaad. Het vernederen van een persoon (door hem uit te schelden of te vervloeken) vanwege een fout, heeft de Profeet omschreven als een duivelse daad.

Ibn Hajar al-‘Asqalani (d.852H/1449C) zegt daarover: “Wat bedoeld wordt met ‘hun hulp aan de duivel’ is het volgende: de duivel probeert middels het schoonschijnend maken van de zonde, de persoon te vernederen. Dus als zij vernedering voor hem wensen, is het alsof zij het doel van de duivel vervullen.” [7]

De duivel doet zijn uiterste best om de persoon te lokken naar de zonde, zodat hij zich na het begaan van de fout, vernederd en slecht voelt. Door hem al die verwijten te maken en hem uit te schelden, voeren ze onbewust het werk van de duivel uit. Ibn Hajar vermeldt daarna een toevoeging aan deze overlevering, waarin de Profeet zou hebben gezegd: “Maar zeg in plaats daarvan: ‘O Allah, vergeef hem. O Allah, wees hem barmhartig gezind.’”[8] Uitingen van broederschap, liefde en compassie. Zo zou de omgeving een persoon moeten benaderen die in een fout vervalt.

Bovendien werd de fout niet gerelativeerd (zoals eerder besproken), maar wel degelijk erkend als fout. De man werd immers gestraft, maar hij leerde ze dat hoewel daad A verkeerd is, dit niet betekent dat de dader gereduceerd moet worden tot die daad. Hij ís niet die daad waar een negatief waardeoordeel aan gehangen werd, maar een waardig mens die een fout beging zoals iedereen kan doen.

Door voor hem te getuigen dat hij houdt van Allah en Zijn Boodschapper, zegt de Profeet dat de persoon niet alleen bestaat uit die ene daad die wij zo verachten, maar ook uit andere goede daden. Is het feit dat hij worstelt met zijn alcoholverslaving niet een teken van zijn geloof? Een persoon kan religieus zijn, maar alsnog zwakheden hebben waar hij keihard aan werkt. Soms met succes, soms met minder succes. Dat heeft alles te maken met zijn menselijkheid.

Dan komt nu de oplossingsgerichte aanpak. De bedoeling achter de Wil van Allah om ons zo te scheppen dat we fouten maken, is om berouw te tonen en terug te keren naar Hem. Door de persoon uit te schelden draag je niet bij aan dat doel, maar help je hem op twee manieren verder de afgrond in.

Ten eerste ga je uit van de aanname dat hij de fout nooit had mogen maken. Dit is onmogelijk en druist in tegen onze menselijke aard. De hoge lat die hiermee gelegd wordt, voedt wanhoop en mislukking. Ten tweede geef je de persoon het gevoel dat hij slecht is, waardoor elke poging tot verbetering kan stagneren (“Waarom zou ik mijn best doen als ik toch slecht ben?”). Tot slot maakt de Profeet ons collectief verantwoordelijk, door elkaar te helpen om aan onze zwakheden te werken.

2. Op basis van onze fysieke kenmerken
Mensen kunnen zich heel onzeker voelen over hun lichaam. Vooral in de huidige tijd waarin we worden platgegooid met ideaalbeelden en waarin cosmetische chirurgie booming is, komt dit in toenemende mate voor. Op een gegeven moment kan dit het zelfbeeld enorm beschadigen. De Profeet wist dit maar al te goed.

Eens klom ‘Abdullah ibn Mas’ud een palmboom in. Het begon ineens heel hard te waaien waardoor zijn scheenbenen ontbloot raakten. Hierop begonnen de metgezellen te lachen om zijn dunne scheenbenen. De Profeet reageerde hier gelijk op en zei: “Lachen jullie om de dunte van zijn scheenbenen? Bij Degene in Wiens Handen mijn ziel is, ze zijn zeker zwaarder op de Weegschaal dan de berg Uhud!”[9]

De Profeet liet het in zijn bijzijn niet gebeuren dat iemand uitgelachen werd om hoe hij eruit zag. Interessant is hoe de Profeet de waardigheid van Ibn Mas’ud verdedigde. Door te refereren naar de spirituele dimensie, benadrukt de Profeet hier twee dingen.

De fysieke verschijning zegt niets over een persoon, maar het zijn de daden die tellen. Hoewel de berg Uhud in onze ogen fysiek gezien kolossaal is, is hij bij Allah lichter dan de scheenbenen van Ibn Mas’ud. Het doorslaggevende verschil is niet de fysieke vertoning, maar de goede daden die iemand verricht.

Ook richt de Profeet de aandacht op het gedrag. Die dunne scheenbenen hebben zoveel goeds voortgebracht, dat ze ten positieve zo zwaar zijn gaan wegen. Hij zegt met andere woorden niet enkel dat ze hem niet moeten uitlachen, maar dat ze ernaar zouden moeten streven om te worden zoals degene die zij uitlachen! Wees zoals Ibn Mas’ud in goede daden.

Ook hier wijst de Profeet ons op onze collectieve verantwoordelijkheid. De handelingen van de Profeet zijn namelijk een voorbeeld voor ons allen. Hoe hij ingegrepen heeft, leert ons dat ook wij in dergelijke situaties (waarbij iemand uitgelachen wordt) dienen in te grijpen om zijn waardigheid te beschermen. Het gaat immers om zijn meest essentiële goddelijke gift.

3. Op basis van onze achtergrond
De achtergrond van een persoon, zoals sociale klasse of etniciteit, kan als een zware stempel worden ervaren door de vooroordelen die eraan gekoppeld worden. Wie niet sterk in zijn schoenen staat, kan in deze vooroordelen gaan geloven en zich in lijn hiermee opstellen (self-fulfilling prophecy).

Zahir was een hele goede vriend en handelspartner van de Profeet. Elke keer als Zahir van het platteland naar Madinah ging, wisselden ze goederen uit. Zahir leefde niet in Madinah, hij was een van de bedoeïenen. Een keer haalde de Profeet een grap met hem uit.

De Profeet zag hem op de markt goederen verkopen. Dus hij benaderde hem van achteren en knuffelde hem. Zahir had geen idee wie het was en riep: “Laat me los! Wie is dit?” Hij keek achter zich en zag dat het zijn vriend, de Profeet, was. Hierop drukte Zahir, uit liefde voor hem, zijn rug tegen de borst van de Profeet.

Toen zei de Profeet grappend: “Wie wil deze slaaf van mij kopen?” Zahir reageerde: “U zult zien, Boodschapper van Allah, dat ik nietswaardig ben.” Hij bedoelde dat niemand veel geld voor hem zou willen betalen. Een uiting van een laag zelfbeeld. De Profeet corrigeerde hem en zei: “Maar bij Allah ben jij niet nietswaardig.” Of hij zei: “Bij Allah ben jij daarentegen kostbaar.”[10]

Zahir beschouwde zijn sociale klasse als bedoeïen van lagere waarde. De manier waarop hij over zichzelf sprak, gaf te kennen dat hij een laag zelfbeeld had. Het is interessant om op te merken dat de Profeet zijn woorden niet ontkende of relativeerde. Het is vanzelfsprekend dat vooroordelen bestaan, en de uitingen ervan variëren van tijd tot tijd.

De Profeet leerde hem echter om zijn waardigheid te koppelen aan Zijn Schepper in plaats van aan de beoordeling van de mensen. Dat laatste is namelijk moeilijk te veranderen en vaak zelfs onbegonnen werk. Maar door een persoon te leren dat hij moet uitgaan van Allah als de basis van waaruit zijn waardigheid ontspringt, leert hem controle te nemen over de situatie. De oplossing ligt hiermee binnen handbereik. Dit draagt bij aan zijn zelfvertrouwen en een positief zelfbeeld.

Conclusie
Het godsbeeld dat een persoon heeft, is bepalend voor zijn mensbeeld. Wie de religieuze teksten analyseert, komt tot de conclusie dat de rode draad in al deze teksten uiteindelijk te herleiden is tot de oorsprong van onze waardigheid als mensen: Allah.

Zo corrigeerde de Profeet verschillende uitingen van een laag zelfbeeld of het afbreuk doen aan iemands zelfvertrouwen. Hij stelde hun verwachtingen bij, onderwees hen in wat Allah beoogt en gaf hen inzicht in onze menselijke capaciteiten (zoals imperfectie) die door Allah zo zijn vastgelegd. Dit maakte ze niet enkel mentaal en spiritueel sterker, maar tevens onafhankelijk van menselijke oordelen.

De Profeet heeft overgeleverd van Zijn Heer dat Hij zei: “Ik ben voor Mijn dienaar zoals Hij over Mij denkt dat Ik ben.”[11] Hier ligt het essentiële verschil tussen de ‘reguliere’ aanpak van een laag zelfbeeld en de islamitische aanpak.

In de reguliere aanpak wordt geleerd om positief te denken over jezelf door een realistische kijk te hebben op jouw kwaliteiten en jezelf te accepteren zoals je bent (zelfaanvaarding). Dit kan een enorme klus zijn voor iemand die altijd negatief over zichzelf dacht. Bovendien kan het gevoel iets te moeten een tegengesteld effect hebben, zeker als een persoon dat ervaart als een hele hoge lat.

In de islamitische benadering van een laag zelfbeeld wordt een religieuze zekerheid als uitgangspunt genomen. Dat is dat de mens an sich waardig is, ongeacht wat hij doet en wie hij is. Deze waardigheid is een constante die er altijd al was, onlosmakelijk verbonden aan zijn menselijke aard, omdat het van Allah afkomstig is.

Het behandelen van een laag zelfbeeld is in die zin een proces van het herontdekken van de eigen waardigheid, niet het opnieuw ontwikkelen ervan. Door te vertrekken vanuit dit godsbeeld, verhoudt de persoon zich relationeel gezien op een gezonde manier tot Allah. Het positief denken over Allah stelt de persoon in staat om het heft in eigen handen te nemen.

De overlevering leert namelijk dat Allah zal zijn zoals de persoon denkt dat Allah zal zijn. Met andere woorden; als hij zijn cognities bijstelt ten aanzien van Allah, belooft Allah dat Hij voor hem zal zijn zoals die persoon verwacht.

Gedachten als “Allah heeft de mens niet zo geschapen dat hij foutloos kan zijn”, helpen realistische verwachtingen van jezelf te hebben en fouten te accepteren. Dat “Allah kijkt naar de daden, niet naar de fysieke kenmerken”, maken dat de persoon van zichzelf gaat houden, hoe hij er ook uitziet en vooral focus legt op de daden. Dit verschuift zijn focus van hetgeen buiten zijn vermogen ligt (bijv. uiterlijk of afkomst) naar hetgeen binnen zijn vermogen ligt (daden), wat enorm bijdraagt aan het zelfvertrouwen.

De overtuiging dat “Allah niemand hoger stelt dan de ander, behalve middels vroomheid” maak dat een persoon geen minderwaardigheidscomplex ontwikkelt vanwege zijn achtergrond, uiterlijk of verleden. Ook hier verschuift de sfeer van invloed. Deze praktische voorbeelden vloeien voort uit een positieve manier van denken over Allah.

Jezelf hieraan herinneren maakt je minder vatbaar voor andere maatstaven die invloed kunnen hebben op het zelfbeeld. Dit zien we sterk terug in het verhaal van Zahir en Ibn Mas’ud. De Profeet herinnerde de mensen hier ook aan.

Om niet de denkfout te maken dat dit enkel geldt voor vrome en goede mensen, is het voorbeeld aangehaald van ‘Abdullah die gestraft werd voor dronkenschap. Dit bevestigt ons dat de mens zo geschapen is dat hij fouten maakt, maar daarna de keuze heeft om berouw te tonen en ervan te leren.

Als wij deze fundamentele menselijke eigenschappen niet zouden bezitten, dan had Allah een einde gemaakt aan ons bestaan en ons verruild voor een volk dat wel gebruikmaakt van het zelfreinigende mechanisme van fouten maken en hier berouw voor tonen. Immers, Hij schiep ons als mensen waardig in al onze imperfectie.

1. De Qur’an, Surah al-Isra’ (hoofdstuk 17), vers 70.
2. Overgeleverd door Anas ibn Malik in Sunan al-Tirmidhi en Sunan Ibn Majah.
3. Overgeleverd door Abu Hurayrah in Sahih Muslim.
4. Overgeleverd door Abu Hurayrah in Sahih al-Bukhari.
5. Idem.
6. Overgeleverd door ‘Umar ibn al-Khattab in Sahih al-Bukhari.
7. Zie de uitleg van deze overlevering in Fath al-Bari.
8. Idem.
9. Overgeleverd door ‘Abdullah ibn Mas’ud in Musnad al-Imam Ahmad en Sahih Ibn Hibban.
10. Overgeleverd door Anas ibn Malik in Sahih Ibn Hibban en Sunan al-Bayhaqi.
11. Overgeleverd door Abu Hurayrah in Sahih al-Bukhari en Sahih Muslim.

Dit artikel is samen met Latifa Tawfik geschreven, psycholoog en orthopedagoog.