Ken je grenzen wetenschap(per) deel 1

Ken je grenzen wetenschap(per) deel 1

In de afgelopen decennia is er een opmars op gang gekomen vanuit de wetenschappelijke traditie tegen godsgelovigen. Daar waar wetenschap beschouwd werd als instrument om de natuur te bestuderen, wordt zij heden ten dage ook gebruikt om gelovigen te ‘bestrijden’. De kracht van wetenschap zou maken dat God gradueel uit ons wereldse plaatje verdwijnt. Wetenschap vertegenwoordigt voor bepaalde kringen het antidotum tegen het geloof in een God.

Sommigen schieten zo ver door in hun beschouwing van wetenschap dat ze opperen dat wetenschap de enige weg naar kennis is, zoals filosoof Bertrand Russell, die deze overtuiging onderschrijft: ‘Wat voor kennis ook verkrijgbaar is, het moet worden verkregen via wetenschappelijke methoden, en hetgeen wetenschap niet kan ontdekken kan de mens niet te weten komen.’. [1] Deze overtuiging wordt ook wel ‘sciëntisme’ genoemd. Mijns inziens zijn er geen goede redenen aanwijsbaar voor sciëntisme, deze notie lijkt het resultaat te zijn van een buitenproportioneel ontzag voor de natuurwetenschappen.

Bovendien, de uitspraak van Russell is reflectief, oftewel, hij slaat terug op zichzelf. Is de bewering dat louter wetenschap ons kennis kan verschaffen wel wetenschappelijk? Neen. Sciëntisme, althans deze variant, blijkt zichzelf in de staart bijten, waardoor het zichzelf weerlegd.[2]

Buiten de zelfweerlegging van sciëntisme moet ook worden beklemtoond dat wetenschap geen opperpositie kan worden toegeschreven. Wetenschap is simpelweg niet capabel om deze functie op zich te nemen. Wetenschap zou niet beschouwd mogen worden als een alomvattende leer, gegeven de talloze relevante discussies in ons leven waar zij geen antwoord op heeft. Deze discussies behelzen existentiële, ethische, esthetische maar ook metafysische vraagstukken.

 

Tante Hatice, baklava en grenzen

Alhoewel het nuttig zou zijn om elk van bovengenoemde klassen te ontvouwen ben ik genoodzaakt mezelf te beperken tot een fractie van hen. Neem nou de vragen die betrekking hebben op onze existentie, of pak het nog breder zoals filosoof Gottfried Leibniz, die zich afvroeg waarom er (überhaupt) iets is in plaats van niets. Wat weerhield de wereld om niet niets te zijn? Dat zou toch veel gemakkelijker zijn geweest? Om het verband tussen zulke vragen en wetenschap in kaart te brengen lijkt het me verstandig om gebruik te maken van een toegankelijk voorbeeld.

Neem baklava nou eens. Wie kent hem niet, een essentieel onderdeel van vele feestdagen en vieringen. Mijn tante Hatice kan dankzij haar kooktalenten hele lekkere baklava maken, die ze (gelukkig) graag met anderen deelt. Wanneer we bij haar op bezoek gaan is het eerste wat onze aandacht trekt de geur van de heerlijke baklava. Nou heb ik het geluk dat mijn familie ook bestaat uit prestigieuze natuurwetenschappers die ons vaak verlichten over hun expertise.

Ik, als leergierige snotneus, vroeg een keer of elk van hen tante Hatice’s baklava kon belichten vanuit hun eigen vakgebied. Daar stonden andere familieleden natuurlijk niet op te wachten, maar gelukkig waren de wetenschappers zelf er wél enthousiast over.

Eenmaal begonnen aan het educatief momentje vertelde de voedingswetenschapper hoeveel calorieën de baklava bevatte en hoe hij onze gezondheid zou beïnvloeden. De biochemicus legde ons uit uit welke eiwitten en vetten de baklava was opgemaakt. Vervolgens was de natuurkundige aan de beurt en hij gaf een analyse van de elementaire deeltjes die de baklava constitueerden. Toen we bij de chemicus aankwamen, was de baklava al koud aan het worden, maar gelukkig kon zij ons haarfijn uitleggen hoe het achterliggende chemische proces hiervan in elkaar zat.

Mijn familieleden stonden te popelen om eindelijk te kunnen eten van de baklava, maar het werd ze niet gegund. De antwoorden van de natuurwetenschappers gaven mij geen voldoening. Voorzeker, elk van hen had vanuit een wetenschappelijke discipline een uitgebreide beschrijving gegeven van de baklava, maar ik vond ze niet toereikend. Nu kwam mijn diepere vraag, Waarom heeft tante Hatice deze baklava gemaakt? Daar stonden ze dan, met een mond vol tanden – met scherpe blikken keken ze in mijn richting. Zal het nog goedkomen met ons familiedagje?[3]

Zo zie je maar weer waar baklava allemaal voor te pas komt. Uiteraard begrijp je dat dit verhaal een groter doel dient dan het jou bekend maken met mijn (deels verzonnen) familie.  Dankzij dit voorbeeld is het eenvoudig in te zien dat wetenschap niet altijd in staat is zich te buigen over onze levensvragen.

De baklava kan gezien worden als analogie voor ons universum. Wetenschappers kunnen ons prima verklaren welke en hoe bepaalde processen plaatsvinden in ons universum, met andere woorden, wetenschappers kunnen ons universum heel goed beschrijven. Het beschrijven van de wereld vormt ook de aard van wetenschap, waardoor wetenschappers niet uit de voeten kunnen met vragen die verder reiken dan de observeerbare wereld. In wat volgt zal dit punt nader toegelicht worden. De vraag waarom ons universum bestaat vergt meer dan observaties en experimenten, wellicht een kop thee en een comfortabele bank, waarop men zich een lange tijd kan bezinnen.

‘Ik ken mijn grenzen al, Sumer.’

Zo hebben we gezien dat ook wetenschap haar grenzen kent, ondanks sommige denkers dit ontveinzen. Deze uitspraak brengt wel het dubieuze van mijn titel aan het licht. Door iets te bevelen lijk ik ook te suggereren alsof wetenschap kan optreden als een actief subject, wat natuurlijk onzinnig is, maar afgezien hiervan kan wetenschap per definitie niet buiten haar oevers treden, natuurlijk kent ze haar grenzen! Dit is zo evident dat het wellicht verwarring kan veroorzaken. Net zoals het evident is dat je niet naar de ruimte kunt vliegen met een potlood; het potlood kent namelijk zijn grenzen. Objecten lijken bescheidener te zijn dan mensen. Goed. Wetenschap heeft zijn grenzen altijd al gekend, vanwaar dan de noodzaak om dit überhaupt aan de kaak te stellen?

In mijn betoog doel ik op wetenschappers, die wél menen dat wetenschap meer kan dan dat die werkelijk kan. Wetenschappers die de grenzen van wetenschap proberen te bedekken. Er zijn menig wetenschappers die zo pretentieus durven te zijn. Zo stelt bioloog Richard Dawkins dat de vraag naar het bestaan van God een wetenschappelijke vraag is: ‘The question of whether there exists a supernatural creator, a God, … is a scientific question.’.[4] Fysicus Lawrence Krauss is net zo dapper en oppert dat wetenschap zich kan begeven op het ethische terrein: ‘…science provides the basis for moral decisions…’. Vervolgens probeert Krauss met behulp van wetenschappelijke gegevens te betogen vóór de moraliteit van homoseksualiteit.[5]

De beschrijvende aard van wetenschap

De beweringen van Dawkins en Krauss vragen te veel van wetenschap. Zoals eerder genoemd heeft wetenschap een beschrijvende aard, dat wil zeggen, wetenschap beschrijft slechts hoe dingen zijn of zullen zijn. Dit maakt dat men louter descriptieve uitspraken kan ontlenen aan wetenschap, welke lijnrecht tegenover normatieve uitspraken staan, de uitspraken van ethiek – die beschrijven hoe dingen zouden moeten zijn. Normatieve uitspraken schrijven voor wat je zou moeten doen. Wetenschap kan weliswaar beschrijven, maar niet voorschrijven.

Zo kan wetenschap je vertellen dat er talloze onschuldige mensen zullen sterven als Noord-Korea een atoombom gooit op Amerika, maar wetenschap kan ons nooit vermanen dat Noord-Korea geen atoombom zou moeten gooien op Amerika waardoor talloze onschuldige mensen zullen sterven, omdat dit moreel slecht zou zijn.

Bovenstaand voorbeeld duidt ook op het ‘is-ought to’ (‘is-zou moeten’) onderscheid van filosoof David Hume, dat stelt dat je nooit normatieve regels uit beschrijvingen kunt onttrekken. Je kunt nooit van ‘dit medicijn is gezond’ naar ‘je zou dit medicijn moeten gebruiken’. Zou je deze stap wel maken, dan maak je gebruik van een tussenprincipe zoals ‘als iets gezond is dan zou je dat moeten gebruiken’, maar op wat baseer je dit principe? Dit tussenprincipe zou in ieder geval niet gegrond kunnen worden op de wetenschap of de natuur. Aangezien wetenschap enkel beschrijft geldt ook voor haar uitspraken dat ze niet de basis kunnen vormen voor voorschriften.

‘Wetenschappelijke’ ethiek van Krauss (?)

Maar hoe zou Krauss dan tot een tegengestelde conclusie zijn gekomen? Krauss meende dat wetenschap de grondlaag vormt voor ethische beslissingen, maar hoe is dat mogelijk als wetenschap niks kan voorschrijven? Laten we zijn argumentatie eens bekijken. Volgens Krauss zouden wetenschappelijke ontdekkingen uitwijzen dat homoseksueel gedrag aanwezig is bij verschillende soorten en dit gebruik geen negatieve evolutionaire gevolgen heeft. Hieruit concludeert Krauss het volgende: ‘‘This surely tells us that it is biologically based, not harmful and not innately ‘wrong’.’’.[6]

Het principe dat Krauss lijkt te gebruiken luidt als volgt: ‘Een gedraging die biologisch gegrond is, niet schadelijk is en niet aangeboren slecht blijkt te zijn, kunnen we moreel goed noemen.’. Buiten de ambiguïteit van deze stelling (want wat betekent ‘aangeboren slecht’ en wanneer is iets ‘schadelijk’?), dienen we Krauss te vragen uit welke observaties of experimenten hij dit morele principe afleidt. Anders kunnen we het toch niet wetenschappelijk noemen?

Er zijn geen experimenten of observaties denkbaar waaruit we kunnen concluderen dat een handeling moreel goed kan zijn als deze biologisch van oorsprong is. Wat Krauss hier poneert is niks meer dan een filosofisch principe waarin natuurwetenschappelijke concepten worden opgenomen, die het principe zelf niet rechtvaardigen. Wetenschap is niet simpelweg capabel genoeg om de conclusies van onze ethische dilemma’s te bepalen om de voorgaande redenen. Krauss begaat hier bovendien de naturalistische denkfout.[7]

Dat gezegd hebbende, moet ik ook huldigen dat het onverstandig zou zijn om de rol van wetenschap in deze discussies te verloochenen. Ondanks wetenschap niet de grond van onze ethische principes kan vormen, is zij wel in staat om de manifestatie van deze principes te beïnvloeden. Neem het ethisch principe ‘Als een bron van voeding(zoals een schaap) pijn zal lijden tijdens het doden of consumeren, dan zou deze niet geconsumeerd mogen worden.’. Als uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat schapen of planten inderdaad pijn lijden tijdens het doden of consumeren, dan mag jij deze volgens dit principe niet consumeren. Ondanks wetenschap dit principe zelf niet kan gronden, is haar rol op dit punt cruciaal te noemen, aangezien ze invloed kan uitoefenen op hetgeen jij wel en niet mag eten.

Voorlopige conclusie

Tot dusver hebben we een algemene schets gegeven van de grenzen en aard van wetenschap. We kunnen wetenschap gebruiken om de wereld te beschrijven zonder daarbij voorschriften aan haar te ontlenen. Dankzij deze analyse is aan het licht gekomen dat enkele wetenschappers geen recht doen aan het vermogen van wetenschap door haar dingen op te leggen die haar draagkracht overschrijden. In het tweede deel zal deze kwestie in verband worden gebracht met de vraag naar het bestaan van God: Is de vraag naar het bestaan van God een wetenschappelijke vraag? Kan wetenschap gebruikt worden om een religie te ontkrachten? Moet je als moslim apathisch zijn tegenover wetenschap?

 

[1] Russell, Bertrand, ‘Religion and Science’, 243

[2] Voor een filosofisch argument tegen sciëntisme zie: Peels Rik, ‘Het fundamentele argument tegen sciëntisme’.

[3] Deze anekdote is een gemodificeerde versie van het voorbeeld van John Lennox in ‘God’s Undertaker: Has Science Buried God?’, 41.

[4] http://inters.org/Dawkins-Collins-Cray-Science

[5] https://www.theguardian.com/science/2012/sep/09/science-philosophy-debate-julian-baggini-lawrence-krauss

[6] https://www.theguardian.com/science/2012/sep/09/science-philosophy-debate-julian-baggini-lawrence-krauss

[7] https://nl.wikipedia.org/wiki/Naturalistische_dwaling